Time out = fout

Woede-uitbarstingen bij kleuters, wie kent dit fenomeen niet? Deze woedebuien horen volgens Leung en Fogan (1991) bij het normale gedrag en komen veelvuldig voor bij kinderen van 1,5 tot 5 jaar. Echter, ouders ervaren dit gedrag als problematisch en wensen deze uitbarstingen te beperken. Door de verschillende gezinsstructuren en het hoge aantal eisen waaraan de ouder moet voldoen, heerst er hedendaags in vergelijking met eerdere generaties een verhoogd opvoedingsonzekerheid bij ouders. Vele opvoedingsboeken, internetsites en tv-programma’s spelen in op deze onzekerheid en worden door de wanhopige ouders geraadpleegd bij het opvoeden van hun kinderen. Een strategie die veelvuldig naar voren komt is de time-out (Aalbers-van Leeuwen, Van Hees, & Hermans, 2002).             

Niet alleen ouders worden door de media op de hoogte gebracht van deze methode, maar ook scholen en de kinderdagopvang gebruiken de time-out als populaire manier van corrigeren. Door het toegenomen aantal leerlingen in de klas, is de time-out een gemakkelijk middel om een kind te straffen. Tijdens een time-out geeft de docent weinig aandacht aan het kind dat ongewenst gedrag heeft getoond. De leerkracht kan zich vervolgens focussen op de overige leerlingen in de klas. Dit wordt door docenten als een win-winsituatie gezien; het ongepaste gedrag wordt gecorrigeerd en de andere kinderen worden hierdoor niet benadeeld. Deze strategie werkt volgens de docenten efficiënt (Derenne & Baron, 2001).

Enkele pedagogen zijn echter minder positief over het gebruik van de time-out. De isolatie zorgt volgens hen wel voor een tijdelijke oplossing voor het gedrag, maar niet voor de oplossing van het onderliggende probleem. Volgens Lermann en Vorndran (2002) is het de taak van ouders en leerkrachten om de problematiek aan te pakken. Kennis over de invloed, gevolgen en risico’s van het gebruik van de isolatiestraf kan bijdragen aan de opvoeding van kinderen. Wanneer deze opvoeding wordt bevorderd, draagt dit bij aan de ontwikkeling van kinderen. Het is voor de maatschappij belangrijk dat kinderen goed worden opgevoed en gesocialiseerd, want over een paar jaar zijn deze kinderen werkzaam op de arbeidsmarkt en moeten zij goed kunnen participeren in de samenleving. Hierbij zijn normen en waarden die zij tijdens hun opvoeding krijgen aangeleerd van groot belang.                                                         

De termen woedebui en time-out hebben verschillende interpretaties. Zodat de terminologie duidelijk is, zullen de volgende definities afkomstig van de sites van Triple P (2014) en het Nederlands Jeugdinstituut (2017) worden aangehouden. De time-out is een strategie waarin het kind tijdelijk wordt afgezonderd, wanneer het ongewenst gedrag heeft vertoond. De prikkelarme omgeving waar het kind geplaatst kan worden is bijvoorbeeld een stoutstoeltje of de gang. Bij deze plek ontbreekt de ouderlijke aandacht. Woede-uitbarstingen zijn episodes waarin woede zich kenmerkt door huilen, slaan en schreeuwen.

In het publieke debat zijn de meningen over het gebruiken van een time-out verdeeld. Door de eerder benoemde pedagogische visie te volgen ga ik de volgende stelling beargumenteren: ‘De time-out mag niet meer ingezet worden bij het bestraffen van het kind.’ Dit verslag betoogt dus tegen het inzetten van een time-out.

Nadenken over gevolgen komt pas op latere leeftijd

In eerste instantie is de time-out een negatieve strategie, omdat peuters en kleuters niet in staat zijn om zelfstandig na te denken over het foute gedrag. Deze negatieve strategie uit zich op een manier dat er afwijzende interacties plaatsvinden tussen ouder en kind. Op kinderen jonger dan zeven jaar heeft dit een groot effect (Kazdin, 1980).  Kinderen in deze leeftijdscategorie kunnen de isolatie niet koppelen aan het ongepaste gedrag. In tegenstelling tot het nadenken over hun daden, zullen de meeste kinderen zich ongeliefd voelen door deze vorm van interactie. Dit argument wordt verder ondersteund door de theorie over cognitieve ontwikkeling van Jean Piaget. Deze cognitieve ontwikkelingstheorie is in de huidige wetenschap van grote invloed geweest op de ontwikkelingspsychologie (Verhofstadt-Denève, Van Geert, & Vyt, 2003). Volgens Piaget (1964) is de fase waarin het merendeel van de peuters en kleuters zich bevindt de pre-operationele fase. Deze fase kenmerkt zich door het egocentrisme dat de kinderen bezitten. Dit houdt in dat het kind het denkbeeld van een ander niet kan overnemen, omdat het kind zich niet kan losmaken van zichzelf. Het kind heeft wel het inzicht in de chronologie van gebeurtenissen, maar kan nog niet de logica van onderlinge relaties begrijpen. Het kind leeft in het hier en nu, de oorzaken en verklaringen voor de huidige situaties begrijpt het nog niet. Dit is ook de reden dat een peuter de time-out niet koppelt aan zijn of haar gedrag (Frentz & Kelley, 1986). Het doel van de time-out is disciplineren, maar dit kan niet worden bereikt door het ontwikkelingsniveau van het kind.

Emotieregulatie

Ten tweede zorgt de time-out voor het onderdrukken van gevoelens. Ouders willen de negatieve gedragingen van hun kinderen verminderen en hiervoor wordt het bestraffen met de isolatietechniek gebruikt. Echter, de emotieregulatie van kinderen wordt niet gestimuleerd omdat deze straf de emoties van het kind onderdrukt. Het gevolg is dat het kind zich niet leert uiten en niet leert zijn of haar emoties te reguleren (Solnick, Rincover, & Peterson, 1977). Dit kan ertoe leiden dat het kind zichzelf mal-adaptieve coping strategieën aanleert om de isolatie te doorstaan. Het begrip coping betekent een manier waarop het kind met zijn problemen omgaat. Een coping strategie die kinderen kunnen toepassen als het gevolg van de time-out is het uiten van disregulatie zoals heftige woedeaanvallen. Daarbij benadrukt Sanders (2008) dat doordat het kind uit een onveilige omgeving wordt gehaald, de time-out een negatieve bekrachtiging kan zijn voor het ongewenst gedrag. Het verkrijgen van kennis over emoties en vaardigheden wordt belemmerd door de time-out. Dit kan nadelige gevolgen hebben voor de verdere sociale en emotionele ontwikkeling van het kind. Een kind met mal-adaptief gedrag heeft een grotere kans om gepest te worden (Lereya, Samara & Wolke, 2013). Denham et al. (2000) ondervonden dat de mediërende factor ‘emotionele competentie’ de sociale competenties van het kind beïnvloedt. Het is belangrijk dat kinderen leren hun emoties te reguleren met behulp van hun ouders. Het is vervolgens de taak van de ouders om kinderen leerkansen te bieden en responsief om te gaan met deze kansen. De time-out ondermijnt dus deze mogelijkheden.

Ontbreken sensitiviteit

De time-out is ten derde niet in staat om de psychologische behoeften van het kind te vervullen. De strafstrategie is gebaseerd op een autoritaire opvoedstijl en een machtsverhouding, waarbij het opvoedingscomponent sensitiviteit ontbreekt. Sensitiviteit betekent dat de ouders gevoelig zijn voor de signalen en behoeften van het kind (Wolff & Ijzendoorn, 1997). Het verlangen naar sensitiviteit is aangeboren. Volgens Hoeve (2006) hangt het ontbreken van ouderlijke sensitiviteit significant samen met externaliserend probleemgedrag. Door het kind te isoleren met de time-out, wordt de behoefte naar verbondenheid op dat moment niet vervuld door de ouders en hierdoor is er een mogelijkheid dat er op lange termijn problematisch gedrag kan ontstaan. Daarnaast ontstaat er door het gebrek aan sensitiviteit bij de time-out ook een gevoel van afwijzing en angst (Sachs,1973). Het kind krijgt het gevoel dat hij of zij alleen gewaardeerd wordt op de momenten dat hij of zij zich gepast gedraagt of goed presteert. Wanneer het kind iets fout doet wordt het direct buitengesloten van de omgeving en krijgt het geen ouderlijke aandacht. Deze afwijzing zorgt voor relationele pijn. Volgens Siegel (2014) leidt het ervaren van relationele pijn tot dezelfde hersenactiviteit als bij de ervaring van fysieke pijn. Dit maakt het kind angstig om vaker in aanraking te komen met de time-out. Deze angst kan zich uiten in verschillende emoties, zoals wraak, woede, onzekerheid en lage zelfwaardering. Wanneer de time-out uitgevoerd wordt in het bijzijn van een andere volwassene of een ander kind kan dit ervaren worden als een vernedering. De vernedering en lage zelfwaardering kunnen op lange termijn uitmonden in een depressie (Solnick, Rincover, & Peterson, 1977). Deze manier van straffen is dus een risicofactor op het externaliserend en internaliserend probleemgedrag van kinderen en om deze reden moet de time-out niet meer worden toegepast.

Tegenargumenten: Consequent handelen

Naast de argumenten tegen de time-out zijn er ook aanhangers van deze conditionerende strafstrategie. Volgens Clark (2010) is de time-out geen straf voor kinderen maar een effectieve opvoedstrategie, indien deze op de juiste manier wordt uitgevoerd. Clark benadrukt dat ouders die de time-out toepassen een sensitieve positieve relatie met de kinderen moeten bezitten en dat de kinderen een normale ontwikkeling hebben. Daarnaast moet de time-out niet frequent voorkomen en goed gedrag moet geprezen worden. De ouder moet zich naast de time-out ook bewust zijn van het belonen van het kind wanneer het gepast gedrag vertoont. De time-out moet op een rustige manier worden uitgelegd en het moet een voorspelbare consequentie zijn voor specifiek gedrag van het kind (Roberts,1982). Echter lijkt deze geschetste situatie niet overeen te komen met het onderzoek van Hoeve (2006) waaruit is gebleken dat de meeste huishoudens die de time-out toepassen een autoritaire opvoedstijl uitoefenen met matig sensitief ouderschap. Wanneer de time-out effectief zou zijn indien dit juist gebruikt wordt, betekent dat niet dat deze methode geschikt is voor de gehele populatie. Om deze reden moet er gepleit worden om het gebruik van de time-out tegen te gaan, omdat deze methode niet voor ieder huishouden effectief is. Daarnaast is het stellen van grenzen belangrijk tijdens de opvoeding, maar dit consequent handelen moet samengaan met sensitiviteit, empathie en responsiviteit. Hierdoor zal het kind probleemoplossende vaardigheden ontwikkelen en zich tegelijkertijd geaccepteerd voelen (Lerman, 2002).                                    
           

Sinds het fysiek straffen niet meer wordt gebruikt, is de time-out een goede vervanger als behavioristische techniek, aldus het tweede tegenargument. Deze twee straftechnieken zijn methodes die gebaseerd zijn op de behaviouristische theorie van operante conditionering van Burrhus Skinner (Pendergrass, 1972). Door middel van straffen wordt ongepast gedrag afgeleerd bij kinderen en door het kind te belonen leert deze zich gepast te gedragen. Deze gedragsveranderingen en het aanleren van nieuwe vaardigheden zouden volgens de conditionering de uitkomsten zijn van de disciplineringmethode ‘de time-out’. Er is echter een keerzijde aan deze manier van disciplineren. Conditioneren is het aanleren en afleren van gedrag door belonen en straffen. De time-out richt zich op het foute gedrag, maar niet op de onderliggende oorzaak van deze gedragsuitingen. Het ongewenste gedrag wordt door het conditioneren afgeleerd, maar de oorzaken en de onderliggende problematiek zullen hierdoor niet opgelost worden. Kinderen gaan het ongepaste gedrag niet meer vertonen, doordat zij bang zijn voor de sancties en niet om het besef waarom de handelingen ongepast zouden zijn. De zelfreguleringsvaardigheden worden hierdoor niet gestimuleerd (Kazdin, 1980). Door de time-out wordt het gedrag bestraft, maar de oorzaken worden niet aangepakt, zoals eerder beschreven bij argument emotieregulatie.             Daarnaast staat de time-out op de lijst van afkeurenswaardige opvoedingsmethoden. Volgens de National Association fort he Education of Young Children (2014) is de time-out even schadelijk voor kinderen als het vernederen en fysiek mishandelen van kinderen. Het fysieke straffen is verdwenen, maar het onttrekken van ouderlijke aandacht en liefde moet niet de vervangende strafstrategie worden.

Conclusie

In dit betoog werd de stelling ‘De time-out mag niet meer ingezet worden bij het bestraffen van het kind’ onderbouwd aan de hand van verschillende argumenten. In eerste plaats is de strafstrategie niet doeltreffend bij de leeftijdscategorie. De peuters en kleuters zitten namelijk in de pre-operationele fase, waarbij het redeloos denken en egocentrisme centraal staan. Hierdoor koppelt het kind de straf niet aan zijn gedrag, waardoor het disciplineren niet zijn doel bereikt. Ten tweede kan de time-out bijdragen aan de disregulatie van emoties. Bij de strafmethode wordt de ervaring van emoties van het kind belemmerd en krijgt het hierdoor niet de mogelijkheden om gepaste coping strategieën te ontwikkelen. Als gevolg hiervan worden de sociale en emotionele competenties niet ontplooid. In de derde plaats is deze manier van bestraffing een risicofactor voor de ontwikkeling van probleemgedrag. Deze risicofactor wordt veroorzaakt door het ontbreken van sensitiviteit tijdens de time-out, waardoor angsten en negatieve ervaringen mogelijk kunnen resulteren in internaliserende problemen zoals een depressie. Daarnaast is er een verband tussen het ontbreken van sensitiviteit en externaliserend probleemgedrag. Daarentegen vinden de voorstanders van de time-out de methode een juiste opvoedingsstrategie, mits deze op de correcte manier wordt uitgevoerd. Hierbij wordt gesuggereerd dat de ouders sensitief moeten handelen. Echter komt dit niet overeen met eerdere bevindingen omtrent autoritair ouderschap.                                                  

Hoewel de time-out een gewenster alternatief is dan het behaviouristisch fysiek straffen, is deze methode niet ideaal. Het probleemgedrag wordt verminderd, maar ondermijnt de onderliggende problematiek. Bovendien worden de zelfreguleringsvaardigheden niet bevorderd. Aan de hand van deze argumenten kan geconcludeerd worden dat de time-out niet meer toegepast moet worden als strafmethode.

Referentielijst

Aalbers-van Leeuwen, M., Van Hees, L., & Hermans, J. (2002).Risico- en protectie       factoren in moderne gezinnen: reden tot optimisme of reden tot pessimisme?     Pedagogiek, 22, 41-54. doi: 10.1007/978-70-313-6782

Clark, L. (2010). Een saaie plek kiezen  voor de time-out.  In L. Clark, SOS! Hulp voor ouders (pp. 102-107). Houten, Nederland:  Bohn Stafleu van Loghum

Denham, S. A., Workman, E., Cole, P. M., Weissbrod, C., Kendziora, K. T., &, Zahn-Waxler,   C. (2000). Prediction of externalizing behavior problems from early to middle          childhood: The role of parental socialization and emotion expression. Development            and Psychopathology, 12, 23–45.

Derenne, A., & Baron A. (2001). Time-out punishment of long pauses on fixed ration    schedules of reinforcement. The psychological record, 51, 4-32.

Frentz, C., & Kelley, M. (1986). Parents’ acceptance of reductive treatment methods: The          influence of problem severity and perception of child behavior. Behavior therapy, 17,             75-81. doi: http://dx.doi.org/10.1016/S0005-7894(86)80116-2

Hoeve, M. (2006). Opvoeding en delinquent gedrag: een meta-analyse.  In J. R. M. Gerris,         Het belang van school, ouders en vrienden (pp. 49-64.) Houten, Nederland:  Bohn     Stafleu van Loghum

Kazdin, A. E. (1980). Acceptability of time out from reinforcement procedures for disruptive    child behavior. Bahavior therapy, 11, 329-344. doi: http://dx.doi.org/10.1016/S0005-  7894(80)80050-5

Leung, A. K. C. & Fogan, J. E. (1991). Temper tantrums. American Family Physician, 44,         559- 563.

Lerman, D. C., Vorndran, C. M.  (2002). On the status of knowledge for using punishment:       Implications for treating behaviour disorders. Journal of applied behavior analysis,      34, 431-46a. doi: 10.1901/jaba.2002.35-431

Lereya, S., T., Samara, M., & Wolke. D. (2013). Parenting behavior and the risk of becoming    a victim and a bully/victim: A meta-analysis study. Child Abuse & Neglect, 37, 1091-     1108. doi: http://dx.doi.org/10.1016/j.chiabu.2013.03.001

National Association fort he Education of Young Children (2014). Understanding power           parent involvement.  Verkregen op 16 13 januari, 2017,     http://www.naeyc.org/blogs/understanding-power-parent-involvement

Nederlands Jeugdinstituut(2017). Gedragsproblemen definitie. Verkregen op 5 januari, 2017,    van http://www.nji.nl/Gedragsproblemen-Probleemschets-Definitie.

Pendergrass. V. E. (1972). Time-out from positive reinforcement following persistent, high-      rate behavior in retardates. Journal of applied behavior analysis, 5, 85-91. doi: 10.1901/jaba.1972.5-8

Piaget, J. (1964). Cognitive development in children: Piaget development and learning. Journal of Research in Science Teaching, 2, 176-211. doi: 10.1002/tea.3660020306

Roberts, M. W. (1982). The effects of warned versus unwarned time-out procedures on child     non-compliance. Child and Family Behavior Therapy, 4(1), 37-53

Sachs, D. A. (1973). The efficacy of time-out procedures in a variety of behavior problems.       Journal of Behavior Therapy and Experimental Psychiatry, 4, 237-242. doi: http://dx.doi.org/10.1016/0005-7916(73)90080-3

Sanders, M., A. (2008). Triple P-Positive Parenting Program as a public health approach to        strengthening parenting. Journal of Family Psychology, 22, 506-517.       doi:  http://dx.doi.org/10.1037/0893-3200.22.3.506

Siegel, D., J., & Bryson, T., B. (2014). Time-Outs’ Are Hurting Your Child. NO-DRAMA           DISCIPLINE The Whole-Brain Way to Calm the Chaos and Nurture Your Child’s         Developing Mind (pp. 135-147)  Melbourne Australië: Scribe Publications

Solnick, J. V., Rincover, A., & Peterson, C. R. (1977). Some determinants of reinforcing and     punishing effects of timeout. Journal of Applied Behavior Analysis, 10(3), 415-424.

Triple P Nederland (2014). Time-out is niet schadelijk voor kinderen. Verkregen op 5 januari,   2017, van http://www.triplep-nederland.nl/nl-nl/triple-p-in-het-kort/nieuws/time-out-            is-niet-schadelijk-voor-kinderen/

Verhofstadt-Denève, L., Van Geert, P., & Vyt, A. (2003). Handboek        Ontwikkelingspsychologie. Grondslagen en theorieën. Houten: Bohn Stafleu Van         Loghum.

Wolff, M. S., & Ijzendoorn, M. H. (1999). Sensitivity and Attachment: A Meta-Analysis on       Parental Antecedents of Infant Attachment. Child Development, 68,  571-591. doi:            10.1111/j.1467-8624.1997.tb04218

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: